
Energietransitie zoekt nieuwe koers
De energietransitie bevindt zich op een kantelpunt. Terwijl de behoefte aan duurzame energie groeit door woningbouw, industrie en geopolitieke ontwikkelingen, loopt de realisatie van wind- en zonneprojecten steeds vaker vast. Tegelijkertijd verbreedt de energietransitie zich van een opgave voor duurzame opwek naar een integraal vraagstuk waarin ruimtelijke ordening, netcapaciteit, economie en bestuur onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dit biedt ook kansen, en op tal van plekken gaan verschillende betrokken partijen de uitdagingen aan.
Aldus de zogenaamde ‘foto’ van de energietransitie d.d. juli 2026, die het Nationaal Programma RES (NP RES) deze week presenteerde. NP RES ondersteunt de 30 regio’s bij het maken en uitvoeren van hun Regionale energiestrategie. Twee keer per jaar geeft ze een overzicht waar de RES-regio’s staan op weg naar 2030. Met behulp van AI zet ROmagazine de bevindingen in twee bijdragen op een rij. Deel 1 belicht de stand van zaken en knelpunten, deel 2 de aanpak in de praktijk, met voorbeelden uit de regio’s, en de uitdagingen voor de komende tijd.
Nog geen tien jaar geleden draaide de energietransitie vooral om het realiseren van voldoende duurzame elektriciteit. Met de Regionale Energiestrategieën (RES) brachten gemeenten, provincies en waterschappen in beeld waar ruimte was voor windmolens en zonnevelden. De verwachting was dat de uitvoering daarna geleidelijk zou volgen. Inmiddels blijkt die werkelijkheid weerbarstiger. Vrijwel alle energieregio's zien de ontwikkeling van nieuwe projecten vertragen, terwijl de maatschappelijke behoefte aan duurzame energie juist sneller groeit dan eerder werd voorzien.
Vrijwel alle energieregio's zien de ontwikkeling van nieuwe projecten vertragen
De oorzaken zijn bekend, maar versterken elkaar steeds nadrukkelijker. Netcongestie beperkt de mogelijkheden om nieuwe projecten aan te sluiten, landelijke milieunormen voor windenergie ontbreken nog altijd en de financiële haalbaarheid van projecten staat onder druk. Tegelijkertijd neemt de concurrentie om de schaarse ruimte toe. Woningbouw, natuurontwikkeling, landbouw en Defensie leggen allemaal beslag op dezelfde fysieke leefomgeving. Ook de toepassing van de voorkeursvolgorde voor zonne-energie wordt in verschillende provincies strenger, waardoor geschikte locaties afvallen.

Windmolens in een tulpenveld, Flevoland. Foto qizai00-iStock.com
Paradoxale situatie
De gevolgen beperken zich niet tot nieuwe projecten. Ook de vervanging van bestaande windturbines door modernere exemplaren, de zogenoemde repowering, komt steeds vaker onder druk te staan. Daarmee dreigt niet alleen de groei van duurzame energie af te vlakken, maar bestaat zelfs het risico dat bestaande productiecapaciteit verdwijnt wanneer oude turbines worden afgebroken zonder dat daarvoor nieuwe in de plaats komen.
Juist dat maakt de huidige situatie paradoxaal. Op het moment dat de uitvoering stagneert, groeit de behoefte aan duurzame energie sneller dan ooit. De elektrificatie van woningen, mobiliteit en industrie zorgt voor een sterk stijgende vraag naar elektriciteit. Geopolitieke spanningen hebben bovendien duidelijk gemaakt dat energie niet alleen een klimaatvraagstuk is, maar ook een kwestie van economische weerbaarheid en strategische autonomie. De energietransitie moet Nederland minder afhankelijk maken van energie-import en tegelijkertijd ruimte bieden aan woningbouw, bedrijvigheid en economische ontwikkeling.
Verdubbeling van windenergie op land en verdrievoudiging van zonne-energie nodig
Volgens de langetermijnscenario's zal richting 2040 ongeveer twee keer zoveel windenergie op land en drie keer zoveel zonne-energie nodig zijn als nu. Veel regio's kijken daarom al verder dan de huidige doelstellingen voor 2030. Zij ontwikkelen energiebeelden waarin niet alleen wind en zon een plaats krijgen, maar ook warmte, opslag, groen gas, waterstof en flexibiliteit. Daarmee verschuift de aandacht van afzonderlijke projecten naar het functioneren van het totale energiesysteem.
Onduidelijke koers
Ook bestuurlijk bevindt de energietransitie zich op een kantelpunt. De Tweede Kamerverkiezingen van 2025 en de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 zorgden ervoor dat veel gemeenten terughoudend waren met nieuwe besluiten over duurzame opwek. Energie speelde bovendien lang niet overal een prominente rol in de verkiezingscampagnes. Daardoor is nog onduidelijk welke koers veel nieuwe colleges zullen kiezen. Tegelijkertijd groeit de behoefte om nieuwe bestuurders snel mee te nemen in de regionale energieopgave, omdat besluiten over energie steeds directer doorwerken in woningbouw, economie en mobiliteit.
De eerste fase van de energietransitie stond daarmee vooral in het teken van het aanwijzen van locaties voor duurzame opwek. De volgende fase draait om een veel fundamentelere vraag: hoe organiseer je een energiesysteem dat voldoende ruimte biedt aan alle maatschappelijke ontwikkelingen die ervan afhankelijk zijn?
Systeemdruk neemt toe
Die omslag wordt nergens zo zichtbaar als op het elektriciteitsnet. Netcongestie is in korte tijd uitgegroeid van een technisch probleem tot een bepalende factor onder vrijwel iedere ruimtelijke ontwikkeling. Waar enkele jaren geleden vooral werd gekeken hoeveel duurzame energie kon worden opgewekt, draait de discussie nu steeds vaker om de vraag of die energie nog wel kan worden getransporteerd en gebruikt.
De gevolgen zijn inmiddels breed voelbaar. Woningbouwprojecten lopen vertraging op doordat nieuwe aansluitingen ontbreken. Bedrijven kunnen hun productie niet verduurzamen of uitbreiden. Laadpleinen voor elektrische voertuigen worden uitgesteld en nieuwe bedrijventerreinen kunnen niet altijd worden ontwikkeld zoals gepland. De beschikbare netcapaciteit is daarmee een randvoorwaarde geworden voor ruimtelijke ontwikkeling.
Businesscases onder druk, maatschappelijk draagvlak neemt op sommige plekken af
Tegelijkertijd neemt de druk op het elektriciteitsnet alleen maar toe. Huishoudens stappen over op warmtepompen, bedrijven elektrificeren hun productieprocessen en het aantal elektrische auto's groeit gestaag. Ook de productie van duurzame elektriciteit blijft toenemen. Op zonnige of winderige dagen overstijgt het aanbod inmiddels regelmatig de beschikbare transportcapaciteit. Dat leidt tot negatieve elektriciteitsprijzen en steeds vaker tot het tijdelijk afschakelen van zonne- en windparken om overbelasting van het net te voorkomen. Daarmee blijft een deel van de duurzaam opgewekte energie onbenut.

Het aantal elektrische auto's groeit gestaag. Foto: Dorota Szymczyk-iStock.com
Die ontwikkeling maakt duidelijk dat de energietransitie een nieuwe fase is ingegaan. De opgave bestaat niet langer uitsluitend uit het toevoegen van duurzame productiecapaciteit. Minstens zo belangrijk wordt het organiseren van een energiesysteem waarin opwek, opslag, transport en verbruik beter met elkaar in evenwicht zijn. Nieuwe windmolens of zonnevelden kunnen niet meer los worden gepland van de beschikbare netcapaciteit, de lokale energievraag en de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied.
Dat vraagt ook om een andere manier van kijken naar de fysieke leefomgeving. Energie wordt steeds minder een sectorale opgave en steeds meer een structurerend principe in de ruimtelijke ordening. Vrijwel alle energieregio's werken inmiddels aan energiebeelden waarin woningbouw, economie, mobiliteit en energie gezamenlijk worden beschouwd. Daarmee verschuift de aandacht van afzonderlijke projecten naar de inrichting van complete gebieden.
De discussie verschuift geleidelijk van individuele gemeentelijke opgaven naar een bredere afweging over een rechtvaardige verdeling van lusten en lasten
Die systeembenadering verandert ook de rol van duurzame warmte. Warmtenetten werden lange tijd vooral gezien als alternatief voor aardgas, maar krijgen steeds nadrukkelijker betekenis voor het elektriciteitssysteem. Collectieve warmteoplossingen veroorzaken aanzienlijk minder piekbelasting dan individuele all-electric oplossingen. Wanneer complete woonwijken overstappen op warmtepompen neemt de vraag naar netcapaciteit sterk toe. Warmtenetten kunnen die extra belasting juist beperken en daarmee kostbare netverzwaring voorkomen.
Fundamentele herijking beleid nodig
De praktijk blijkt echter weerbarstig. Hoewel veel regio's de potentie van warmtenetten inmiddels goed in beeld hebben, komen projecten moeizaam van de grond. Investeringszekerheid ontbreekt, rijksfinanciering is beperkt en de kosten en baten vallen vaak bij verschillende partijen. Ondertussen kiezen bewoners voor individuele oplossingen, waardoor de kans op collectieve systemen verder afneemt en de druk op het elektriciteitsnet juist toeneemt.
Dezelfde ontwikkeling is zichtbaar bij batterijopslag, energiehubs en andere vormen van flexibiliteit. Technisch zijn veel oplossingen beschikbaar, maar de maatschappelijke baten vertalen zich nog onvoldoende naar een sluitende businesscase. Wie investeert in opslag of flexibiliteit voorkomt vaak kostbare netverzwaring, maar wordt daar financieel nauwelijks voor beloond. Daardoor stokt juist de systeeminnovatie die nodig is om de energietransitie te versnellen.
De conclusie dringt zich steeds nadrukkelijker op dat de grootste opgave niet langer ligt in de techniek. De energietransitie vraagt om een fundamentele herinrichting van het energiesysteem, waarbij ruimtelijke ordening, energieinfrastructuur en bestuurlijke samenwerking veel nauwer met elkaar worden verbonden dan tot nu toe het geval was.


