Daarmee komen de Staten onder meer tegemoet aan kleinere gemeenten die vreesden voor een bouwstop en aan de wensen van minister Boekholt-O'Sullivan. Aan de stemming van gisteren ging een brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vooraf.
Zij waarschuwde dat onderdelen van het Zuid-Hollandse omgevingsbeleid niet aansloten op het rijksbeleid voor woningbouw. Volgens de minister dreigde de herziening de mogelijkheden voor woningbouw in onbebouwde ruimte te beperken.
De minister vroeg Zuid-Holland om extra buitenstedelijke woningbouwlocaties mogelijk te houden. Ook pleitte zij voor een ‘ja, mits’-benadering voor een ‘wijkje erbij’.
Bredere ruimtelijke afweging
Door die wijziging blijft bouwen in onbebouwd gebied onder voorwaarden mogelijk. Eerder leek de ruimte voor nieuwe uitbreidingslocaties vooral beperkt tot al vastgestelde woonlocaties van 3 hectare, aangevuld met de Gnephoek en mogelijk Sliedrecht-Noord. Die formulering heeft Provinciale Staten dus aangepast.
Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk plaatsvinden binnen bestaande steden en dorpen. Bij aanvragen voor woonlocaties groter dan 3 hectare wordt eerst gekeken wat binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is. Verzoeken voor nieuwe buitenstedelijke locaties worden breder afgewogen.
Daarbij gaat het niet alleen om woningbouw, maar ook om andere ruimtelijke opgaven. In de nieuwe tekst worden onder meer landbouw, natuur en recreatie genoemd. Daarmee blijft buitenstedelijke woningbouw mogelijk, maar alleen na een bredere ruimtelijke afweging.
Gedeputeerde Staten wezen er voorafgaand aan het debat op dat Provinciale Staten al nieuwe buitenstedelijke locaties groter dan 3 hectare kunnen toevoegen. Volgens het provinciebestuur is die mogelijkheid vastgelegd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Ook had Gedeputeerde Staten al aangekondigd nog met een voorstel voor extra locaties te komen.
PRO, VVD, BBB en CDA spraken in hun coalitieakkoord af dat de lijst met grote bouwlocaties van minimaal 3 hectare nauwelijks zou worden uitgebreid. Zo wilden zij natuur en landbouwgrond zoveel mogelijk beschermen. Woensdag stemden VVD, BBB en CDA echter voor meer ruimte in het beleid; PRO deed dat niet.
Passende dichtheid
Ook de dichtheidsnorm is door PS aangepast. Nieuwbouw hoeft niet altijd te voldoen aan de norm van minimaal 33 woningen per hectare. Omgevingsplannen moeten een zo hoog mogelijke woningdichtheid mogelijk maken, passend bij een groen en gezond woon- en leefklimaat.
Welke dichtheid haalbaar is, hangt af van de lokale situatie, vindt Provinciale Staten. Het gaat om maatwerk en om het toevoegen van kwaliteit. De dichtheid kan aansluiten bij de oude kern, het dorp of de stad waar de woningbouwlocatie bij hoort.
'Het gaat om maatwerk en om het toevoegen van kwaliteit. De dichtheid kan aansluiten bij de dichtheid van de oude kem, het dom of de stad waar de woningbouwlocatie bij hoort. Er is dus differentiatie mogelijk tussen stedelijk en landelijk gebied’, aldus het amendement.
Campussen en woningbouw
Ook de ruimte voor werk kwam aan bod. Zuid-Holland wil bedrijventerreinen met ruimte voor hogere milieucategorieën beter beschermen. Dat leidt tot discussie met gemeenten waar woningbouw, campusontwikkeling en innovatieve bedrijvigheid dicht op elkaar liggen.
Delft waarschuwde eerder dat de provinciale regels woningbouw en campusontwikkeling kunnen belemmeren. Volgens de gemeente komen onder meer studentenwoningen op de TU Delft Campus en woningen bij station Delft Campus mogelijk onder druk te staan.
De provincie stelt juist dat ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën schaars is. Volgens Zuid-Holland zijn in regionale bedrijventerreinenstrategieën al ruim zeventig bedrijventerreinen aangewezen als transformatielocatie, waar woningbouw kan plaatsvinden.
Delft vindt dat de regeling te weinig rekening houdt met stedelijke campussen. Op en rond de TU Delft Campus en de Biotech Campus Delft is volgens de gemeente behoefte aan innovatieve hightech maakbedrijven. Die kunnen in hogere milieucategorieën vallen, zonder traditionele zware industrie te zijn.
Regionale afweging
Een aangenomen motie van D66 moet meer richting geven aan die afweging. De motie vraagt het provinciebestuur om de visie op de “licence to operate” per regio te vertalen naar een toekomstbestendige economie, passend bij de regionale ruimtevraag.
Ook moeten internationale campussen, zoals Delft en Leiden, worden meegewogen als ondersteunende functie of uitbreiding van innovatieve activiteiten. Regionale behoefteramingen moeten daarbij niet alleen kijken naar de maximale theoretische milieuruimte, maar ook naar de daadwerkelijke bezetting van bedrijventerreinen.
Verder vraagt de motie om oog voor het lokale economische ecosysteem rond campussen, in balans met de stadsverzorgende economie. Ook kleine bedrijventerreinen moeten daarbij worden meegewogen. De compensatieplicht voor bedrijventerreinen moet op basis daarvan per regio worden uitgewerkt.
De gemeente Delft laat Stadszaken weten dat zij de uitwerking van de motie afwacht. De gemeente weet nog niet of de aangenomen motie voldoende is om haar zorgen over woningbouw, campusontwikkeling en ruimte voor innovatieve bedrijvigheid weg te nemen.



